
Om de hond beter te leren begrijpen en zelf een goede geleider-baas te worden zijn er een paar punten waar u moet op letten. Vooraleerst moet je weten dat er verschillende stadia zijn in een hondenleven,
Te beginnen met de inprentingfase(4de tot 7de levensweek). In deze periode gaan de pups de wereld verkennen. De pups komen in contact met andere mensen en vreemde dingen,anders ge-zegd, de pup leert dat hij een hond is.
In de socialisatie periode(8ste tot 12de week)moet men de jonge hond wereldse indrukken laten opdoen,maar je moet er vooral voor zorgen dat traumatische er-varingen vermeden worden. Deze negatieve ervaringen zijn tekenend voor zijn verdere leven. Neem je puppy mee naar een drukke markt,naar een groot plein,wandel er mee naast een drukke autobaan,liefst ook een vijver of kanaal,spoorweg enz. Laat hem zoveel mogelijk indrukken opdoen.
De rangordefase(4de tot 5de maand);Hier heeft de mens meestal de plaats van de soortgenoten ingenomen en moet dus ook de taak op zich nemen om,door spel-gedrag,de hond een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling te laten doorlopen. Hierbij wordt geleerd waar zijn plaats is in de groep, hetgeen de hond ook moet leren aanvaarden.
De roedelorderfase(5e tot 6e maand); Nu is het geen spel meer! Vanaf hier moet er een bepaalde rangorde zijn in de roedel. In de roedel moet er dus een leider zijn, onze huishond verwacht van ons dat wij die leiding geven. Anders zal de hond zich genoodzaakt voelen om deze taak op zich te nemen.
De puberteit(tussen9en18e maand);Deze periode is het moeilijkste omdat de hond dan opstandig word, d.w.z. de hond speelt met de baas zijn voeten.
a)Instinctief gedrag=aangeboren gedrag.
b)Aangeleerd gedrag: Berust op ervaringen(een hond kan herkennen maar niet herinneren)
c)Driften:Dit zijn gedragingen die het dier moet doen.
De eigenschappen die een goede geleider zou moeten hebben zijn;
Bv. Als de baas gezegd heeft dat de hond moet gaan zitten , dan moet hij het bevel ook laten uitvoeren ( één bevel - niet herhalen – en onmiddellijk helpen). Honden leren het beste door “ geduldig oefenen”.
STRAFFEN: Wij straffen uitsluitend voor daden die nooit kunnen toegelaten worden , echter nooit brutaal of onbeheerst maar een korte “ FOEI” of “ NEEN” of optil-len bij en knijpen in het nekvel of met een slipketting. Andere straffen begrijpt de hond niet en wanneer we hem toch een “FIKSE RAMMELING” zouden geven , voelt hij dit aan als een onterechte behandeling. Dit mag zeker nooit de bedoeling zijn van een straf. Bedenk dat dominantere honden daartegen ook in opstand kunnen komen. Straf uitsluitend op het ogenblik dat de hond betrapt word, dus op “ HETERDAAD”. De hond kent immers alleen de actuele situatie en legt ook geen verband met voorbije gedragingen. STRAFFEN ACHTERAF IS DUS TOTAAL ZINLOOS ! Belangrijk is ook dat de straf moet aangepast zijn aan de fout maar vooral ook aangepast aan de aard van de hond. Corrigeren met een slipketting is niet zielig , maar door aan de lijn te rukken gaat de slipketting dicht en knijpen we door middel van de slipketting in het nekvel. Als honden elkaar afstraffen bijten ze elkaar ook in het nekvel , dus met een slipketting werken we op natuurlijke , voor de hond op een begrijpbare ma-nier.
Evengoed als straf – en voor dezelfde redenen – moet elke beloning aangepast zijn en “OP HETERDAAD” gegeven worden. Met de stem maar vooral door een blij enthousiasme is dit voor de hond de beste beloning. Door een streling , een schouderklopje , een snoepje of door te spelen (apporteren voor honden die dit graag doen). Overlopen van de oefeningen. Elke hond moet leren volgen, zitten, liggen, blijven en komen en dit in deze volgorde. Voor we beginnen met volgen , gaan we eerst de aandacht van de hond winnen. Deze aandachtstraining is het begin van elke nieuwe trainingssessie. We trainen nooit langer dan een 1/2 u. Dit verspreid over bv.
Willekeurig volgen maar wel rechte hoeken maken. Dit zonder afleiding. Als dit perfect gaat , doen we dit met afleiding.
We nemen een paar stappen , stoppen plots en geven het bevel “zitten”. Dit zonder afleiding. Pas als het perfect gaat , met afleiding.
We voeren de oefening zitten uit , als de hond zit gaan we het bevel liggen of “af” geven. Dit zonder afleiding. Als het perfect gaat doen we de oefening met afleiding.
We doen de hond liggen en we gaan geleidelijk de afstand tussen hond ver-groten. Doch eerst de tijd en pas daarna de afstand. Dit zonder afleiding daarna met afleiding.
Wel laten de hond achter in “blijf” , maar wel met een lange lijn aan. Dan gaan we op een bepaalde afstand staan en corrigeren nadat we het bevel “komen” roepen. Dit zonder afleiding , daarna met afleiding als het perfect gaat. De volgende fase is zonder lijn of afleiding. Wanneer een hond faalt, keer je eenvoudig terug naar de vorige fase.
Dit kan eender wat zijn:
De afleiding mag in het begin niet dichter dan 3m. in de omgeving van de hond komen.
VEEL SUCCES!!!